Weblog

Het 38e IFLRY-congres: Een verslag uit Wenen

Van 2 tot 5 april vond het tweejaarlijkse congres plaats van de internationale koepelorganisatie voor liberale jongeren (IFLRY) waar we als JD lid van zijn. Namens de Jonge Democraten was hier een zeer gevarieerde en actieve delegatie aanwezig, bestaande uit Friso Bonga, Samira Rafaela, Daan Eijwoudt, Dirkjan Tijs, Arvid Plugge, Pauline Kastermans, Milan Assies en Daphnie Ploegstra. Dit congres is vergelijkbaar met een JD congres, maar het verschilt ook op sommige punten. In het algemeen is er de mogelijkheid om IFLFRY Bureau Members (vergelijkbaar met landelijk bestuursleden) vragen te stellen naar aanleiding van hun Bureau Reports. Er worden  resoluties behandeld (vergelijkbaar met moties op een JD congres), de financiën worden goedgekeurd en er zijn fringe meetings. De JD-delegatie heeft op allerlei manieren een actieve bijdrage geleverd aan het congres: we stelden kritische vragen naar aanleiding van de verantwoording van Bureau Members, we dienden maar liefst vijf resoluties in, we organiseerden fringe meetings, er werd uitgebreid genetwerkt en bovendien hebben verschillende JD’ers ook namens IFLRY een bijdrage geleverd aan het congres.

Van 2 tot 5 april vond het tweejaarlijkse congres plaats van de internationale koepelorganisatie voor liberale jongeren (IFLRY) waar we als JD lid van zijn. Namens de Jonge Democraten was hier een zeer gevarieerde en actieve delegatie aanwezig, bestaande uit Friso Bonga, Samira Rafaela, Daan Eijwoudt, Dirkjan Tijs, Arvid Plugge, Pauline Kastermans, Milan Assies en Daphnie Ploegstra. Dit congres is vergelijkbaar met een JD congres, maar het verschilt ook op sommige punten. In het algemeen is er de mogelijkheid om IFLFRY Bureau Members (vergelijkbaar met landelijk bestuursleden) vragen te stellen naar aanleiding van hun Bureau Reports. Er worden  resoluties behandeld (vergelijkbaar met moties op een JD congres), de financiën worden goedgekeurd en er zijn fringe meetings. De JD-delegatie heeft op allerlei manieren een actieve bijdrage geleverd aan het congres: we stelden kritische vragen naar aanleiding van de verantwoording van Bureau Members, we dienden maar liefst vijf resoluties in, we organiseerden fringe meetings, er werd uitgebreid genetwerkt en bovendien hebben verschillende JD’ers ook namens IFLRY een bijdrage geleverd aan het congres.

De resoluties die werden ingediend besloegen verschillende onderwerpen en werden gelukkig allemaal aangenomen. Zo dienden we een resolutie in over de internationale bescherming van vluchtelingen en de belangrijke rol die Europa zou moeten spelen ten aanzien van asielbeleid. Erg waardevol was hierbij de bijdrage van de JuLi’s uit Duitsland, die een amendement hadden ingediend die de kwaliteit van de resolutie enorm ten goede kwam. Daarnaast dienden we resoluties in over groei, gelijkheid van mannen en vrouwen en vrede en veiligheid in Afrika, Boko Haram en een actuele resolutie over Tunesië. In de weken voorafgaand aan het congres hadden we ook gelobbyd bij verschillende andere PJO’s om steun te vergaren voor onze resoluties.

De behandeling van resoluties tijdens een IFLRY congres verschilt met die op JD-congressen. Ze worden namelijk eerst besproken tijdens de standing committee on resolutions, waarbij er per lidorganisatie één afgevaardigde aan een tafel zit. De rest van de delegatieleden bevindt zich ofwel als ‘publiek’ in de zaal, of is helemaal niet aanwezig. De indiener van de resolutie krijgt kort de tijd om de tekst toe te lichten, waarna de ingediende amendementen worden besproken en hierover wordt gestemd. Vervolgens wordt ook over de gehele resolutie gestemd door de afgevaardigden van de lidorganisaties. Wat hier wordt besloten vormt het advies aan de plenaire General Assembly, waar iedereen aanwezig is. Al onze ingediende resoluties werden gelukkig met overgrote meerderheid of unaniem aangenomen. Alle ingediende resoluties vind je overigens hier.

Naast de politieke inhoud wordt er tijdens een congres ook besloten over het eventuele lidmaatschap van IFLRY van nieuwe organisaties. Lidmaatschappen zijn er in verschillende gradaties: als observer member werk je intensief samen met IFLRY terwijl je nog niet voldoet aan de criteria voor full membership. Na observer member kun je candidate member worden, waarbij je alle rechten hebt behalve stemrecht. Tenslotte is er natuurlijk het full membership, dat een organisatie na minstens een jaar candidate membership kan verkrijgen. Dit congres verwelkomden we organisaties uit Jordanië, Botswana, Rusland, Marokko en de regionale organisatie in de MENA-regio AYUFD.

Naast lobbyen, mensen leren kennen, netwerken en het bespreken van politieke inhoud en de koers van IFLRY is er natuurlijk gedurende de drie dagen ook ruimte voor informele activiteiten. ’s Avonds werden lokale specialiteiten en vooral dranken met elkaar gedeeld en de laatste avond werd uiteraard afgesloten met een feest in een club in Wenen. Al met al was het op alle fronten, en zeker voor de JD, een zeer geslaagd congres!

De Afrikaanse Vredeswens

Na de Grote Oorlogen van de twintigste eeuw ontstond er een internationale wens naar wereldvrede. Deze wens heeft zich vertaald in de oprichting van de Verenigde Naties. De internationale rechtsorde is er in geslaagd om het wapengekletter tussen staten in de ban te houden, maar hoe staat het met de beheersing van interne conflicten? Vooral ontwikkelingslanden worden geteisterd door gruwelijke en ontwrichtende interne conflicten. Een reden om de vredeswens onder de loep te nemen. Hoe wordt getracht deze vredeswens in ontwikkelingslanden te verwezenlijken? Aan de hand van voorbeelden uit het continent Afrika belichten we de pogingen vrede te realiseren in conflictgebieden, en de problemen die daar bij komen kijken.

Na de Grote Oorlogen van de twintigste eeuw ontstond er een internationale wens naar wereldvrede. Deze wens heeft zich vertaald in de oprichting van de Verenigde Naties. De internationale rechtsorde is er in geslaagd om het wapengekletter tussen staten in de ban te houden, maar hoe staat het met de beheersing van interne conflicten? Vooral ontwikkelingslanden worden geteisterd door gruwelijke en ontwrichtende interne conflicten. Een reden om de vredeswens onder de loep te nemen. Hoe wordt getracht deze vredeswens in ontwikkelingslanden te verwezenlijken? Aan de hand van voorbeelden uit het continent Afrika belichten we de pogingen vrede te realiseren in conflictgebieden, en de problemen die daar bij komen kijken.

Bij de oprichting van de Verenigde Naties bestond er in de – door de Grote Oorlogen geteisterde – wereld een vredeswens, maar wat hielt die in? Drie punten vormden de kern. (i) Het gebruiken of dreigen met militair geweld mag – zonder toestemming van de Veiligheidsraad – door staten niet meer als politiek middel worden gebruikt, met uitzondering van het recht op zelfverdediging. (ii) Ieder volk heeft het recht om zichzelf te besturen in welke vorm zijzelf verkiest en is wat betreft de interne aangelegenheden volledig soeverein. (iii) Het bevestigen van de fundamentele rechten van de mens, de waardigheid en waarde van de menselijk persoon. Wie over deze drie thema’s nadenkt komt al snel tot de conclusie dat er een spanningsveld tussen ligt. Waar ligt bijvoorbeeld het evenwicht tussen soevereiniteit en de fundamentele rechten van de mens bij een interne conflictsituatie? De vraag is of deze vredeswens sterk genoeg is voor ontwikkelingslanden met veel interne conflicten. Maar ook wat is de rol van de internationale rechtsorde? De problematiek aangaande de beheersing van interne conflicten met betrekking tot de ingrijpende staten kan ruwweg onderscheiden worden in drie factoren : politieke onwil en apathie, een gebrek aan voldoende militaire of economische middelen en het gebrek aan een lange termijn strategie Drie pijnlijke voorbeelden volgen.

De grootste genocide na de Tweede Wereldoorlog voltrok zich, onder stilzwijgend medeweten van veel Westerse landen, in Rwanda in 1994. In 100 dagen voltrok zich een genocide met ongeveer 800.000 dodelijke slachtoffers. De internationale gemeenschap reageerde apathisch en besloot veel te laat om de genocide een halt toe te roepen. Al in september 1993 verzocht de Rwandese regering om een vredesmacht van 4260 man in Rwanda te stationeren. Na veel gesteggel werden er in oktober 1428 blauwhelmen met een minimaal mandaat gestationeerd. Toen in april 1994 de genocide begon mochten de blauwhelmen louter zichzelf verdedigen. Naarmate de genocide zich voltrok werden daarom steeds meer blauwhelmen teruggetrokken. Pas op 21 juni van hetzelfde jaar werd er bij de Veiligheidsraad een resolutie voor een interventiemacht aangenomen.

Wat betreft onwil en apathie is de genocide in Rwanda een klassiek en schrijnend voorbeeld. Hier keek de wereld lijdzaam toe terwijl de genocide zich in alle hevigheid voltrok. Westerse beleidsmakers vermeden bewust het woord “genocide” om de situatie in Rwanda te beschrijven, omdat dit een morele plicht tot ingrijpen zou impliceren, en daar ontbrak simpelweg de politieke wil voor. Politieke onwil om in te grijpen hangt vaak samen met de perceptie van de economische omstandigheden van een land.

De Centraal Afrikaanse Republiek (CAR) is een land verscheurd door burgeroorlog en religie. Twee jaar geleden brak er een geweldsgolf los die als een tsunami over het land spoelde. Het begon in feite als een herleving van de burgeroorlog die al ruim tien jaar in het land woedde. Islamitische rebellenmilities onder de vlag van de Seleka begonnen met het veroveren van dorpen en steden in het oosten van het land. In februari 2013 veroverden de Seleka de hoofdstad Bangui, waardoor de Christelijke president Bozize het land moest ontvluchten. Michel Djotodia, de leider van de Seleka, greep de macht en werd zo de eerste Islamitische president van de CAR. Eenmaal de macht in handen kreeg Djotodia zijn voormalige milities niet onder controle: deze plunderden dorpen, vermoordden Christenen en begingen grootschalige wreedheden. Het duurde niet lang voordat er een Christelijk antwoord kwam op het geweld van de Islamitische milities. De anti-Balaka milities waren in eerste instantie opgezet om dorpen op het platteland te beschermen, maar al snel begonnen deze met vergeldingsaanvallen op moslims, waardoor het geweld escaleerde. Moslims en Christenen vermoordden elkaar in de straten; wreedheden en kannibalisme waren aan de orde van de dag en het land werd meer en meer stuurloos. In januari van dit jaar nam Djotodia ontslag als president, maar daarmee was het geweld niet voorbij. De Christenen waren losgeslagen en konden niet zomaar tot de orde worden geroepen, zelfs niet door de verkiezing van de neutrale Catherine Samba-Panza als nieuwe president. Het conflict gaat vandaag nog altijd door.

In de CAR lopen de toch al duizenden doden als gevolg van de steeds gruwelijker wordende burgeroorlog nog dagelijks op, de helft van de bevolking heeft direct humanitaire hulp nodig. Het VN mandaat en de internationale wil is te zwak om deze miljoenen mensen voldoende te helpen. Een humanitaire ramp ligt op de loer. Een gebrek aan voldoende middelen blijkt momenteel uit de trage en inadequate internationale respons op de humanitaire crisis in de CAR. Er was een VN mandaat voor een vredesmissie, maar door een gebrek aan beschikbare troepen en materieel van donorlanden kwam deze missie sputterend en slechts gedeeltelijk van de grond. Een ander probleem is dat de VN en met name Westerse lidstaten al in zoveel crisisgebieden vastzitten dat er nauwelijks extra capaciteit is om in te grijpen in nieuwe crisisgebieden. Er is sprake van “overstretch” of overbelasting.

Er zijn echter ook voorbeelden waar te roekeloos een militaire interventie plaatsvindt, met onvoldoende aandacht voor de langere termijn. Libië is een recent en toonaangevend voorbeeld, waar ingrijpen zich beperkte tot het met militaire middelen verwijderen van de directe dreiging (in dat geval de troepen van Khadaffi), zonder stil te staan bij de volgende fase: het stabiliseren en de wederopbouw van Libië. Het gevolg was een anarchie in Libië, een grote vluchtelingenstroom en er is weer een kweekvijver voor radicale militante groeperingen bij. Inmiddels is niet alleen Libië maar ook Mali volledig gedestabiliseerd. 

De consequenties van interne conflicten zijn enorm en bedroevend. Vaak niet alleen voor het land dat met een intern conflict te maken krijgt, maar het ontregelt ook de regio, met niet zelfden tot gevolg dat in omringende landen ook vijandelijkheden ontstaan. Nu het aantal conflicten in de wereld weer toeneemt is het noodzakelijk om prioriteiten te stellen en beschikbare middelen zo doelgericht en effectief mogelijk in te zetten. Daarbij moet gedacht worden aan het beperkt en gericht inzetten van militaire middelen, een grotere nadruk op het strategisch benutten van diplomatieke en economische middelen, nauwe samenwerking met de landen uit de regio en een goede nazorg van de conflicten. Een (humanitaire) interventie zou tenminste aan de volgende criteria moeten voldoen; duidelijk doel, voldoende middelen, steun vanuit de bevolking, de regio en internationale rechtsorde en gericht zijn op een bredere oplossing. Na de (humanitaire) interventie dient zo nodig een vredesmissie te volgen, zodat samen met de nieuwe overheid het land kan worden gestabiliseerd.

Misschien moet de vredeswens voor zwakke regio’s/landen opnieuw geschreven worden, waarbij de nadruk moet liggen bij het verbeteren van de omstandigheden in die landen en minder op de interne soevereiniteit. Het is bij zwakke landen vaak de vraag of zij überhaupt in staat zijn om de interne aangelegenheden te beheersen, zij hebben niet meer het geweldmonopolie. Ook moet er meer aandacht komen voor de verantwoordelijkheid van niet zwakke landen om zwakke landen te helpen, vooral wanneer die landen met een intern conflict te maken krijgen. Maar voorkomen is beter dan genezen! Soms iets meer hulp vooraf en achteraf kan een hoop ellende besparen.

''The Democratic Peace Theory''

Aan het einde van de 18e eeuw schreef de Duitse filosoof Immanuel Kant een essay genaamd “Zum Ewigen Frieden; Ein philosophisher Entwurf”. In dit essay stelde Kant enkele randvoorwaarden waaraan staten moeten voldoen om de eeuwige vrede te kunnen bewerkstelligen. Een van deze randvoorwaarden was dat de eeuwige vrede enkel enkel zou worden gegarandeerd als alle staten representatieve democratiën zouden zijn. Dit essay ligt aan de grondslag van de in academische kringen bekende Democratic Peace Theory. Deze blogpost zal de ontwikkeling van deze theorie bespreken en uitleggen waarom deze theorie meer dan ooit relevant is in de hedendaagse geopolitieke wereld.

Aan het einde van de 18e eeuw schreef de Duitse filosoof Immanuel Kant een essay genaamd “Zum Ewigen Frieden; Ein philosophisher Entwurf”. In dit essay stelde Kant enkele randvoorwaarden waaraan staten moeten voldoen om de eeuwige vrede te kunnen bewerkstelligen. Een van deze randvoorwaarden was dat de eeuwige vrede enkel enkel zou worden gegarandeerd als alle staten representatieve democratiën zouden zijn. Dit essay ligt aan de grondslag van de in academische kringen bekende Democratic Peace Theory. Deze blogpost zal de ontwikkeling van deze theorie bespreken en uitleggen waarom deze theorie meer dan ooit relevant is in de hedendaagse geopolitieke wereld.

In het begin van de Eerste Wereldoorlog voorspelde de Britse socioloog Herbert George Wells dat die oorlog de laatste oorlog zou zijn die in West-Europa gevochten zou worden. Hij baseerde deze voorspelling op het feit dat – als Duitsland verslagen zou zijn – er een einde zou komen aan het Pruissische militairisme en aristocratisch regime. Duitsland zou na de oorlog een staat worden met een verkozen regering, net zoals de meeste (West-) Europese natie-staten van die tijd. Het Duitsland van voor WO I was een staat gekenmerkt door sterke bewapening, wat een oorlog provoceerde bij andere Europese staten. Zou Duitsland verslagen worden, zou er dus een representatieve democratie worden gesticht, en democratiën gaan nu eenmaal geen oorlog met elkaar voeren, zo luide de argumentatie van Wells.

Wells en Kant hadden allebei gelijk, al slaagden beiden er niet in om de Tweede Wereldoorlog te voorspellen. Desalniettemin waren deze twee heren de grondleggers van de Democratic Peace Theory. Deze theorie werd in 1983 beroemd door Michael Doyle, een Amerikaans geleerde die deze theorie tot op het bot heeft gedefiniëerd. Zijn stelling was dat democratiën niet met elkaar in oorlog zullen gaan, aangezien democratiën elkaar niet als vijandig beschouwen. Het volk heeft immers ervoor gekozen dat de regering in het zadel zit, en een ander democratisch land aanvallen, zou dus een aanval zijn op de je eigen democratische normen en waarden. Daarnaast is het volk zelf ook het grote slachtoffer van een oorlog, dus zullen ze er minder snel voor kiezen om een oorlogsgezinde regering te kiezen, aldus Doyle:

”When the citizens who bear the burdens of War elect their governments, wars become impossible” (Doyle, 1996)

Wat belangrijk is om in het achterhoofd te houden, is dat deze theorie niet voorspelt dat democratiën überhaupt geen oorlogen meer voeren. De aanwezigheid van non-democratiën, zal liberale democratiën er niet van weerhouden om een staand leger te hebben om zichzelf te beschermen. Op dit punt komt Francis Fukuyama aan het einde van de Koude Oorlog terug. In zijn boek The End of History and the Last Man (1992) claimt Fukuyama dat de Koude Oorlog de laatste oorlog is die ‘gevochten’ is, aangezien het kapitalistische en liberale Westen de Communistische en autoritaire Sovjet-Unie heeft overwonnen. Zo stelt hij het volgende:

“Liberal democracies and Free Market Capitalism […] may signal the end point of humanity’s sociocultural evolution and become the final form of human government” (Fukuyama, 1992).

Het hebben van een vrije markt en een representatieve democratie zouden voor staten volgens Fukuyama en Doyle (en in zekere zin ook Wells en Kant, aangezien zij nooit refereerden naar de werking van de vrije markt in hun essays) dus de ultieme voorwaarden zijn voor de eeuwige vrede. Deze voorspellingen zijn en blijven uiteraard discutabel. Er is een behoorlijk lijstje te vinden op het internet van liberale democratiën die oorlog met elkaar gevoerd hebben. Voorbeelden hiervan zijn de Zesdaagse Oorlog tussen Libanon en Israël, de Eerste Kashmir Oorlog, en tot op zekere hoogte de Eerste Wereldoorlog (al blijft dat een grey area voor geleerden van Internationale Betrekkingen).

Desalniettemin blijft de theorie relevant in het hedendaags perspectief. Een groot voorbeeld is het huidige conflict met Rusland. Nu is het misschien wat extreem om te stellen dat het Westen een oorlog heeft met Rusland, maar het is verre van een vredelievende bedoeling. Rusland is verre van een liberale democratie zoals voorgesteld door Kant en Doyle. Er is nauwelijks sprake van vrijheid van meningsuiting, oppositiepartijen worden de kop ingedrukt en wordt dusdanig door het Freedom House bestempeld als Not Free (https://freedomhouse.org/report/freedom-world/2014/russia#.VOtrhi6E-H4). Sterker nog, Rusland ziet liberale democratiën ook als een gevaar voor de soevereiniteit van Rusland zelf. Het is algemeen bekend dat President Putin de val van de Berlijnse Muur als ‘de grootste geopolitieke ramp van de 20e eeuw’ gemarkeerd heeft. Het is daarom niet verbazingwekend dat Rusland weer tracht om zijn invloedsfeer te verruimen naar oude Sovjet-Staten. Die voor een groot deel inmiddels de liberale waarden en normen van de Europese Unie hebben omarmd.

Het hebben van een conflict met een non-democratie kan wordt dus absoluut niet uitgesloten door de Democratic Peace Theory. Wat wel enigszins verontrustend is dat er binnen de Europese Unie, die het waarborgen en verspreiden van democratie als één van de hoofdpijlers heeft in zijn European Neighborhood Policy, en dus buitenlands beleid verdeeld begint de raken over het conflict met Rusland. Het is geen geheim dat de huidige Griekse regering toenadering tot Rusland heeft gezocht, als reactiemiddel tegen de bezuinigingen die geëist worden door de Europese Unie. In Frankrijk heeft het Front National van Marine Le Pen heeft een lening van een slordige 9,4 miljoen euro ontvangen van de First Czech Russian Bank, een instelling met sterke connecties met het Kremlin. Daarnaast heersen er nog sterke pro-Russische gevoelens in enkele Oost-Europese staten, waar Russische minderheden sterk zijn vertegenwoordigt in de parlementen. Maar ook de Oostenrijkse Freiheitliche Partei Österreichs, het Italiaanse Liga Nord, en het Vlaamse Vlaams Belang hebben recentelijk openlijk steun aan Rusland gegeven.

De bovengenoemde partijen zijn meerdendeels rechts van aard, en hebben een sterk populistisch karakter, en zijn ze over het algemeen behoorlijk eurosceptisch. Het is daarom niet voor niets dat President Putin de komende tijd gebruik zal maken van deze partijen die hen openlijk steunen in zijn ‘gevecht tegen liberale democratie’. Het uiteendrijven van EU is een van de grootste strategische steunpilaren die President Putin op dit moment goed hanteert, zowel op economisch vlak (met name de gastoevoer), als nu dus ook op politiek vlak.

De grootste uitdaging voor de EU op dit moment is niet alleen het omgaan met de Russische bedreiging zelf, maar ook om hier intern mee om te gaan. De EU kan deze partijen echter niet links laten liggen, maar er ligt een grote verantwoordelijkheid voor partijen die zich wel tegen Rusland willen keren om om te kunnen gaan met deze populistische partijen. De EU kan pas een vuist maken tegen Rusland als het eensgezind is over de Russische bedreiging. Mocht dit niet het geval zijn, zal Putin meer en meer in de invloedsfeer van het Westen komen, en zal de Democratic Peace Theory waar ruim anderhalve eeuw aan gesleuteld en geschreven is door verschillende geleerden, uiteindelijk aan de academische kapstok gehangen worden.  

Afrika in de 21ste eeuw: Koloniale patronen doorbroken door jonge/nieuwe elite

Het afgelopen congres heeft de JD een actuele politieke motie over Boko Haram aangenomen. Het geweld in Nigeria moet stoppen om onder andere veilige verkiezingen te garanderen. De EU en de VN kunnen een bijdrage leveren door het delen van expertise op het gebied van counterterrorisme.
Nigeria is tegen wil en dank het Afrikaanse boegbeeld van zwakke instituties en elitaire praktijken die ertoe leiden dat grote groepen in de samenleving op economisch, sociaal en politiek vlak niet normaal kunnen participeren. Het vraagstuk van institutionalisering en democratische transities in Afrika beperkt zich echter niet tot Nigeria. Het is helaas kenmerkend voor een groot deel van het continent.  

Het afgelopen congres heeft de JD een actuele politieke motie over Boko Haram aangenomen. Het geweld in Nigeria moet stoppen om onder andere veilige verkiezingen te garanderen. De EU en de VN kunnen een bijdrage leveren door het delen van expertise op het gebied van counterterrorisme.
Nigeria is tegen wil en dank het Afrikaanse boegbeeld van zwakke instituties en elitaire praktijken die ertoe leiden dat grote groepen in de samenleving op economisch, sociaal en politiek vlak niet normaal kunnen participeren. Het vraagstuk van institutionalisering en democratische transities in Afrika beperkt zich echter niet tot Nigeria. Het is helaas kenmerkend voor een groot deel van het continent.  

Verdeel en heers

De etnische diversiteit in Afrika is groot. Dit is een prachtig kenmerk van het continent maar tegelijkertijd ook de grootste belemmering. Alhoewel deze belemmering vooral is gecreëerd. Een logische historische verklaring ligt hieraan ten grondslag. Tijdens  de koloniale periode werden verschillende stammen en volkeren haarfijn tegen elkaar uitgespeeld door de een westerse verdeel- en heersstrategie.  In bepaalde delen van het continent ontvingen sommige stammen meer privéleges ten opzichte van anderen.  Voorbeelden hiervan zijn een betere toegang tot het onderwijs, het toebedelen van machtsposities aan stamhoofden - onder bepaalde voorwaarden - en het ontvangen van wapens om daarmee vervolgens de eigen landgenoten te bevechten. Nigeria blijft een goed voorbeeld.

In Nigeria waren het de noorderlingen (Hausa’s)  die zulke privileges van de Britten ontvingen ten opzichte van het zuiden. Het zuiden (de Biafra’s) beschikte namelijk over olie en had ook nog eens plannen om zich af te scheiden van de rest van Nigeria. Vanuit Brits perspectief moest het zuiden daarom bevochten en overmeesterd worden. Deze politiek leidde in 1967 tot de Biafra oorlog. Deze zou tot 1970 duren en een miljoen slachtoffers eisen. Het ‘noord- zuid’ verhaal in Nigeria komt dus niet uit de lucht vallen. Daarbij zal er een sterk staaltje ‘wat-als geschiedschrijving’ voor nodig zijn om de koloniale verantwoordelijkheid te verhullen. Dit geldt voor de meeste etnische conflicten in Afrika. Voor bijna heel Afrika geldt dat willekeurige getrokken landsgrenzen voor grote problemen hebben gezorgd. Al bestaande conflicten, soms sluimerend onder een gezamenlijk antikoloniale mantel, werden voorgoed bij elkaar gestopt en soit. Een grens is een grens en een regering van een willekeurige stam kreeg daarmee alle stammen onder zijn - willekeurige  - jurisdictie.

Storende elites

Toen de kolonisten zich terugtrokken bleven de volken die zij generaties lang overheersten verdeeld, en soms in oorlog, achter. Een belangrijke factor in de ellende die volgde - en deze verergerde - was de elite die zich in sommige, misschien wel veel, landen door de buitenlandse bemoeienis was ontstaan. Zowel tijdens als na de komst van de kolonisten zijn sterke instituties en een goed werkend politiek apparaat in veel delen van Afrika nooit de grootse prioriteit geweest. Het opgeven van de macht en privileges die zij van hun kolonisators hadden gekregen was voor de stamhoofden geen optie.  Laat staan het delen van de macht met stammen die tot dan toe onderdrukt waren. De angst bij stammen om van de troon gestoten te worden was groot. Dit patroon gaat tot de dag van vandaag door.

Zie nu het resultaat. Sterke instituten die onafhankelijk opereren en elkaar controleren - de drijfveren van een veilige, sociale, participatieve samenleving - zijn niet of nauwelijks aanwezig.  Dit is vooral een probleem voor de landen waar grondstoffen en dus ook internationale bedrijven ruim aanwezig zijn. Hoe kan een nauwelijks functionerende staat immers tegenwicht bieden aan goed geolied roofkapitalisme? Het motto ‘Shell is overheid en overheid is Shell’ klinkt wellicht niet vreemd in de oren.

Het ontbreekt de politieke elite aan democratische waarden. De politieke elite treedt niet in dialoog met haar bevolking. De ernstige gevolgen hiervan zijn de afgelopen jaren meer dan duidelijk geworden door excessief geweld, epidemieën en ernstige armoede. Afrika is dankzij de rijkdom aan grondstoffen het armste continent ter wereld. Het gaat structureel mis met de verdeling van inkomsten en sociale voorzieningen in Afrika. Het ambtelijk apparaat in de meeste Afrikaanse landen is gevoelig voor omkoping en vooral gevoelig voor de eigen achterban. Cliëntelisme is een groot probleem in Afrika. Transparante en legitieme besluitvormingsprocessen worden hierdoor bemoeilijkt, of gewoon helemaal onbereikbaar.  Als gevolg daarvan verliest de samenleving het vertrouwen in de overheid. Dit wantrouwen zorgt er voor dat tegenslagen, crisis en etnische rivaliteit gemakkelijk escaleren. Corruptie draagt dan ook rechtstreeks bij aan het geweld en de radicalisering op het continent. Het is de grootste bedreiging, en de grootste uitdaging, voor alle pogingen om de situatie te verbeteren.

Internationale Instituties

Al jaren sturen de VN en de EU militaire en humanitaire missies naar Afrika. Hoewel deze missies er af en toe in slagen om op korte termijn hun doelen te bereiken, dragen ze doorgaans niet bij aan oplossing van de onderliggende problemen. Hiermee bedoelen we, we zijn natuurlijk JD’ers, de inbedding van democratische, liberale, waarden waardoor Afrikaanse overheden daar ook naar gaan handelen.

Als overheden zich meer naar democratische waarden gaan gedragen, zal ook de ruimte afnemen voor internationale bedrijven om economische belangen boven ethische te kiezen. Andersom werkt dit overigens ook. Als bedrijven democratische waarden voorop stellen in hun relatie met Afrikaanse overheden, kan dit hervormingen helpen. Hier zit dus ook de crux en dit brengt ons op de vraag: waar kunnen internationale organisaties zich op richten om politieke elites aan te zetten tot democratische en liberale hervormingen?

De belangrijkste voorwaarde voor stabiliteit is vertrouwen in een rechtstaat. Als mensen niet geloven dat hun belangen door een overheid worden behartigd, zullen ze vroeger of later het recht in eigen hand nemen. Dat dit besef ook bij grotere organisaties doordringt blijkt onder meer uit de anti-piraterij missie in Oost-Afrika. Een ander voorbeeld is de relatie tussen de EU en de Centraal Afrikaanse Republiek. Daarbij zet de EU zichzelf de prioriteit ‘to support long-term socio-economic recovery, in the framework a comprehensive state- and peacebuilding agenda, and to help build a more stable country’. Het is daarom ook erg jammer dat de recente missie naar de CAR zich enkel richt op de strijdkrachten van de CAR en niet op ‘comprehensive state- and peacebuilding’. Daar ligt namelijk de kern van het probleem.

Verandering

Tegelijkertijd zien we dat vraagstukken over democratie en participatie van minderheden  steeds hoger op de agenda komen in Afrika. Ghana is hier een goed voorbeeld van. Dit land doet het relatief goed en is politiek stabiel. Bovendien biedt Ghana haar burgers steeds meer mogelijkheden om te participeren en investeert het in transparante en eerlijke verkiezingen.  Waarom lukt het hen wel? Het is ook een land waar buitenlandse organisaties graag in willen investeren en mee willen samenwerken. De veiligheid en stabiliteit dragen hier natuurlijk ook aan bij. Toch is ook in Ghana nog veel winst te halen op het gebied van de hierboven genoemde vraagstukken.  

De opkomst van politiek actieve jongeren in Ghana is daarom een belangrijke ontwikkeling, die inmiddels vanuit de JD nauwlettend wordt gevolgd. Deze jongeren willen het systeem van een dominante elite doorbreken en een stem geven aan andere groepen in de samenleving. Hiermee worden de stabiliteit, het groeipotentieel en de gelijke kansen op welvaart enorm bevorderd. Het is daarom van belang dat deze ontwikkelingen worden opgemerkt en hier ook in wordt geïnvesteerd door internationale instituties. Kleinere, politieke organisaties kunnen hier echter ook een bijdrage aan leveren. Het is niet voldoende om op hoog niveau in te zetten op verandering.

Het is daarom enorm belangrijk dat de sociale en politieke randvoorwaarden aanwezig zijn om jongeren en vrouwen een stem te geven in de maatschappij. Die voorwaarden zullen echter niet zo snel door de politieke elite in Afrika gegeven worden. Echte, houdbare, verandering zal uit de samenleving zelf moeten komen. De jongeren die zich daar voor inzetten kunnen dan ook goed profiteren van de ervaring die politieke organisaties elders hebben opgedaan. Binnen de JD is deze ervaring in ruime mate aanwezig. Des te meer reden om in te zetten op internationale programma’s en politieke projecten om deze ontwikkeling te blijven stimuleren.

 

 

 

 

 

Europees Nabuurschapsbeleid – De Januskop van de EU

Het Europees Nabuurschapsbeleid (ENP) is een onderdeel van het Europees buitenlands beleid en richt zich op het creëren van een kring van Europa-vriendelijke staten rondom de EU. Met de Big Bang-uitbreiding van de EU in 2004 groeide ook het aantal buurlanden van de EU. Om issues die ontstonden door het feit dat de EU nu grensde aan Rusland, Oekraïne en Wit-Rusland op te vangen, werd het ENP ingesteld. Landen die op de Europese uitbreidingsagenda staan, zoals Turkije, IJsland en de niet-EU Balkanstaten, zijn hiervan uitgesloten. Volgens Romano Prodi moet het ENP die landen namelijk “everything but the institutions” verschaffen. Dit uiteraard tot grote teleurstelling van bijvoorbeeld Oekraïne, dat eigenlijk nu al wel zou willen toetreden.

Het Europees Nabuurschapsbeleid (ENP) is een onderdeel van het Europees buitenlands beleid en richt zich op het creëren van een kring van Europa-vriendelijke staten rondom de EU. Met de Big Bang-uitbreiding van de EU in 2004 groeide ook het aantal buurlanden van de EU. Om issues die ontstonden door het feit dat de EU nu grensde aan Rusland, Oekraïne en Wit-Rusland op te vangen, werd het ENP ingesteld. Landen die op de Europese uitbreidingsagenda staan, zoals Turkije, IJsland en de niet-EU Balkanstaten, zijn hiervan uitgesloten. Volgens Romano Prodi moet het ENP die landen namelijk “everything but the institutions” verschaffen. Dit uiteraard tot grote teleurstelling van bijvoorbeeld Oekraïne, dat eigenlijk nu al wel zou willen toetreden.

Het ENP is opgedeeld in twee groepen: het Oostelijk Partnerschap met Oekraïne, Moldavië, Wit-Rusland en de Kaukasische Staten, en het Zuidelijk Partnerschap, dat grotendeels overlapt met de Franse ex-president Sarkozy’s Mediterrane Unie en zich uitstrekt van Marokko tot Syrië. In deze blog focus ik me op de laatste groep. Dat is namelijk een interessanter verhaal dan Oekraïne, wat gemotiveerder lijkt om ENP te accepteren dan de gemiddelde absolute MENA-monarch. De focus wordt in deze blog gelegd op Tunesië, en vergelijkt de rol van de EU in ENP-implementatie voor en na de Arabische Lente die dictator Ben Ali ten val bracht, en vervolgens trek ik algemene conclusies over het succes van het ENP in de MENA-regio (Midden-Oosten en Noord-Afrika).

Toen het ENP in 2004 werd gelanceerd volgde dat op de reeds 40 jaar bestaande EU-Tunesische betrekkingen. Echter, aan voorgaande soortgelijke overeenkomsten hadden de meeste MENA-landen lak. Daarom stelden Tunesië en de EU in 2004 een Actieplan op dat acht jaar geldig zou zijn. Dit Actieplan schitterde in vaagheid, want concrete maatregelen werden niet genoemd. Het plan viel uiteen in vier subgroepen: veiligheid, cultuur, economie en democratie/bestuur. Ten eerste werkten beide samen om illegale migratie naar de EU tegen te gaan, bestreden ze witwasserij, georganiseerde misdaad en terrorisme. Hiervoor werden verschillende missies gestart. Ten tweede, cultureel gezien, moesten uitwisselingen aangemoedigd worden. Op economisch vlak was de EU de belangrijkste handelspartner van Tunesië en het land ontving ook grote hoeveelheden directe buitenlandse investeringen uit de EU, naast de jaarlijkse toeristenstroom, die de economie redelijk draaiende hielden. De EU ondersteunde de Tunesische economie door investeringen in infrastructuur en het verminderen van handelsbarrières. Dit zijn zaken die een dictatoriaal regime over het algemeen best wil accepteren van haar belangrijkste handelspartner.

Echter, ten vierde, had de EU Ben Ali ook een aantal politieke hervormingen voorgeschoteld, zoals onafhankelijke rechtspraak, verbetering van de mensenrechtensituatie en verbetering van de participatie van de samenleving in de politiek. De EU heeft geïnvesteerd in de ontwikkeling van de burgermaatschappij en het aanmoedigen van participatie. Van de democratiseringswens van de EU trok het regime zich weinig tot niets aan. En daar trok de EU zich op haar beurt dan weer weinig tot niets van aan. Nu had de EU in de 15 kerndoelen van het Actieplan er ook maar twee die waren geënt op democratisering. Sterker nog, de EU durfde Tunesië niet eens dictatoriaal te noemen, maar sprak eufemistisch van een “republic with a strong presidential system”. Ondanks de EU’s ‘aandringen’, bleef, volgens the Freedom House, Tunesië een onvrij land. Behalve preken van kant van de EU werd daar niets aan gedaan, hoewel beide partijen zich verplicht hadden de situatie te verbeteren.

Maar kun je de EU als rationele actor die lakse houding kwalijk nemen, als je in je achterhoofd houdt dat de EU een kring van vriendelijke landen om zich heen wil hebben? Handelsverdragen en samenwerking op het gebied van veiligheid leveren nu eenmaal direct en concreet meer op dan een land actief transformeren tot democratie. Bovendien, hoe vriendelijk zou Ben Ali blijven als de EU Tunesië wilde democratiseren en daarmee zijn machtspositie zou ondermijnen? Hieruit blijkt het Janusgezicht van de EU: tegelijkertijd democratische hervormingen eisen, maar ook openlijk met dictaturen samenwerken. Claimen dat de EU niet kon doordrukken, omdat ze afhankelijk is van Tunesische grondstoffen en pijpleidingen, is niet terecht, aangezien Tunesië net zo afhankelijk is, zo niet afhankelijker is, van de EU. Een andere uitleg is dat Tunesië zich niet aan het Actieplan hield, omdat het ENP geen vooruitzicht biedt op lidmaatschap van de Unie. Ook dit argument gaat niet op, omdat Tunesië vrijwillig deelneemt aan het ENP. Daarbij vroeg Marokko in 1987 lidmaatschap van de EU aan, wat de EU weigerde omdat het geen Europees land was. Marokko neemt nu echter ook deel aan het ENP.

Ligt het dan allemaal aan de EU? Is de EU te slap geweest in haar opstelling jegens het Tunesische regime? Ja en nee. De EU deed in eerste instantie haar best, maar besefte zich goed dat handel en veiligheid prioriteit moesten krijgen, en dat democratisering niet van de grond te krijgen was. De EU heeft als taak namelijk de volkeren van Europa verder brengen, en is niet gebonden aan de volkeren daarbuiten. Daarbij is het puur naïef om ervan uit te gaan dat een dictatuur zichzelf wel zal democratiseren als de EU dat wil. Democratie moet vanuit het volk komen, en niet door een buitenlandse mogendheid opgelegd worden. Dit zien we ook tijdens de Arabische Lente. Onmiddellijk na het uitbreken van de Tunesische Revolutie lanceerde de EU haar ‘New Approach to a Changing Neighbourhood’. Vage plannen kregen een concrete invulling en democratiepromotie onderging een revival. De EU heeft Tunesië  geprobeerd te begeleiden in de democratische transitie: advies over hoe de rechtspraak te organiseren, verkiezingen te houden en een grondwet te schrijven werd gegeven.

Wereldwijd wordt de EU gezien als baken van democratische waarden. Maar in de praktijk, in haar beleid jegens dictatoriale regimes, valt dit tegen. De EU staat namelijk machteloos: ze is gebonden haar deel van het Actieplan uit te voeren, maar de partnerstaat kan daar niet aan worden gebonden. Op dat punt loopt het ENP mank, zoals het eigenlijk bij elk internationaal verdrag gaat. De EU richt zich daarna op zaken waarop daadwerkelijk constructief samengewerkt kan worden en die beide partijen verder brengen.

In de gehele MENA-regio zie je eigenlijk dat het hoofdstuk democratie/mensenrechten consequent overgeslagen wordt in de uitvoering van het Actieplan. Regimes ondermijnen zichzelf namelijk niet graag. De EU kan zich natuurlijk strenger opstellen, maar welke impact zal dit hebben op de handel en het Europees veiligheidsbeleid? Illegale migranten hou je namelijk niet unilateraal succesvol tegen. Het ENP is dus enkel in haar totaliteit effectief wanneer de partnerstaat zelf democratisch is of die transitie aan het maken is. Meer dan symboolpolitiek is het democratisch-bestuurlijke deel van het ENP anders niet. 

Weblog Internationaal

Het 38e IFLRY-congres: Een verslag uit Wenen

Van 2 tot 5 april vond het tweejaarlijkse congres plaats van de internationale koepelorganisatie voor liberale jongeren (IFLRY) waar we als JD lid van zijn. Namens de Jonge Democraten was hier een ...

Lees meer...

zaterdag 09 september 10:00
Septembercongres - Landelijk

» Bekijk volledige kalender

Vul hieronder je emailadres in om een link te krijgen waarmee je je aan kunt melden voor de nieuwsbrieven van de Jonge Democraten en waarmee je je abonnementen kunt wijzigen.

» Bekijk eerdere nieuwsbrieven

Twitter

© 2017 Jonge Democraten